Als het je tijd is, wat dan …?

Waar ook ter wereld, het leven heeft een begin en een einde. We kunnen de verschijnselen van leven en dood waarnemen, maar beide zijn en blijven in diepste wezen een mysterie.
Uit de Bijbel weten we wél dat ons leven zijn oorsprong vindt bij God. Maar als we sterven, wat dan? Hier volgt een beknopte verkenning van wat de Bijbel over leven en dood te zeggen heeft.

“STOF BEN JE….”
In het scheppingsverhaal lezen we dat God de mens schiep “uit stof, uit aarde” (Gen.2:7). Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Dat God “aarde” bijeen schraapte en aan het boetseren sloeg, met als eindresultaat de mens? Dat zou een zeer naïeve voorstelling van zaken zijn. In de Psalmen lezen we dat God “sprak en het was er, hij gebood en daar stond het” (Ps.33:9). Het boek Hebreeën bevestigt nog eens “dat de wereld door het woord van God geordend is…” (Heb.11:3). Dat God de mens schiep “uit stof, uit aarde” wil dus zeggen dat hij door de kracht van zijn woord de mens vormde uit aardse “stof”, uit aardse materie. De vertalers van de Amplified Bible plaatsten dan ook bij Genesis 2:7 de volgende aantekening: “In levende mensen en dieren vinden we dezelfde essentiële chemische elementen als in de aardbodem. Dit wetenschappelijke feit is bij ons mensen nog niet zo heel lang bekend, maar God laat hier weten hoe het in elkaar zit.” Dat wij gemaakt zijn “uit stof, uit aarde” betekent dus niets meer of minder dan dat wij volledig ‘van deze aarde’ zijn. Bij de schepping van de mens is er geen enkel ‘buitenaards’ bestanddeel aan te pas gekomen.

Een levend wezen
“Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de . Zo werd de mens een levend wezen” (Gen.2:7). Andere vertalingen kiezen hier voor het woord
“ziel” in plaats van “wezen”. Wat eerst ‘nog maar’ een lichaam was, is nu een levend wezen, of een
levende ziel geworden. Let wel, er staat nièt dat God aan dat lichaam een immateriële ‘ziel’ heeft
toegevoegd. Maar natuurlijk is een mens oneindig veel méér dan alleen een lichaam dat door de
levensadem in beweging komt.

Vergelijking
Laten we eens een vergelijking maken met de computer. Dat apparaat kun je beschouwen als een twee eenheid van de betreffende hardware en software. Maar het is nog tot niets in staat zolang de elektrische stroom ontbreekt. Schakelen we die in, dan kan de computer alles doen wat door de ingebouwde software mogelijk is. Wordt de stroom uitgeschakeld, dan vallen alle processen stil en is de computer tot niets meer in staat. Toen God de mens schiep, maakte hij eerst de ‘hardware’ (het lichaam) met de daarin aanwezige ‘software’. Daarna schakelde hij ‘de stroom’ in (Gen.2:7) waarop het bewustzijn ontwaakte en de intellectuele vermogens konden gaan functioneren en allerlei emoties zich konden manifesteren. Maar wat gebeurt er bij de mens wanneer ‘de stroom’ uitvalt?

“TOT STOF KEER JE TERUG”
In de Bijbel lezen we niet alleen over de oorsprong van het leven, maar ook van de dood. Het leven dat
God de mens had geschonken moest in stand worden gehouden door de vrucht van de levensboom.
Behalve van die boom mochten ze ook van alle andere vruchtbomen eten, met één uitzondering. “Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven” (Gen.2:16-17). Toen ze er toch van aten, moesten ze de
consequenties van hun daad dragen. Voor Adam betekende dat: “Zweten zul je voor je brood, totdat je
terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug” (Gen.3:19). Bij
iedereen die sterft, nemen we dat laatste ook waar: zodra ‘de stroom’ uitvalt, komt elke fysieke en mentale activiteit tot stilstand. Het lichaam vergaat en keert terug tot de bestanddelen waaruit het is opgebouwd.
De dood zou voortaan onvermijdelijk zijn. Dat blijkt ook uit wat God zei nadat het kwaad was geschied: “Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden…” (Gen. 2:22-23). Hieruit blijkt ondubbelzinnig dat het leven voor de mens niet eeuwig is, maar eindig. Desondanks zullen veel mensen misschien toch nog denken: “Maar de ‘ziel’ dan?”

Misleid door “de vader van de leugen”
God had gezegd dat de mens “onherroepelijk sterven” moest, als hij van de verboden vrucht zou eten.
Niettemin liet Eva zich misleiden door de “slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt” (Openb.12:9). We lezen hoe hij zijn bedrog formuleerde: “Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad” (Gen.3:4-5). Wat zien we hier gebeuren? Satan maakt God tot leugenaar, terwijl hij in feite zelf de bedrieger was, en nog steeds is.
Want met een aangepaste leugen heeft hij door de eeuwen heen de mensen laten geloven dat je bij je
overlijden toch niet écht sterft. Je zou een ‘onsterfelijke ziel’ bezitten die blijft voortbestaan, ook al
vergaat je lichaam. Terecht zei Jezus over Satan: “Hij hoort niet bij de waarheid, omdat er geen waarheid in hem is. Wanneer hij liegt, spreekt hij zoals hij is: een aartsleugenaar, de vader van de leugen” (Joh. 8:44). De mens is volgens de Bijbel sterfelijk. God alléén is onsterfelijk (I Tim.6:16). Het idee dat wij een ‘onsterfelijke ziel’ zouden hebben, is dus on-Bijbels en vindt zijn oorsprong bij “de vader van de leugen”.

CONSISTENT BEELD
Dat de mens inderdaad geen ‘ziel’ heeft die bij zijn dood naar de hemel zou gaan, blijkt ook uit wat de
Bijbel zegt over gelovigen die zijn gestorven. Laten we enkele voorbeelden bekijken.

Abel. Nadat Abel door zijn broer Kaïn was vermoord, zei God tegen de dader: “Hoor toch hoe het
bloed van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt” (Gen.4:10). Niet Abels ‘ziel’ doet zijn beklag
bij God in de hemel, maar het is zijn bloed dat figuurlijk gesproken uit de aarde tot God roept.
Abraham, Izak en Jakob zijn gestorven terwijl ze reikhalzend uitkeken naar het hemelse vaderland (Hebr.11:16). Zijn hun ‘zielen’ dit hemelse vaderland binnengegaan toen ze stierven? Nee, want zowel deze drie mannen alsook alle andere geloofshelden uit Hebreeën 11 “hebben de belofte niet in vervulling zien gaan omdat God … hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken” (vers 39-40). Zij moeten wachten op ons, vóórdat zij samen met ons het hemelse vaderland binnen mogen gaan.
David, de man naar Gods hart, is ook nog niet in de hemel. Op de eerste Pinksterdag spreekt Petrus het volk toe over een tekst die door David geschreven is: “Ja, mijn lichaam zal behouden blijven, want u zult mij niet overleveren aan het dodenrijk en het lichaam van uw trouwe dienaar zal niet tot ontbinding overgaan.” Petrus betoogt dat deze woorden niet op David maar op Jezus moeten worden toegepast. Want iedereen weet dat David “gestorven en begraven is; zijn graf bevindt zich immers nog steeds hier.” Ook zegt Petrus heel duidelijk dat David “niet naar de hemel opgestegen” is (Hand.3:26-35). Bij Jezus is dat wel het geval. David moet dus net als alle andere gelovigen wachten op de komst van de Heer. Pas dan zal de hemel ook voor hem opengaan.
Daniël werd in een visioen aangesproken als een door God “geliefde man” (Dan.10:11). In zijn geval
zouden we dus wel mogen verwachten dat aan het einde van zijn leven zijn ‘ziel’ naar de hemel zou gaan. Luister echter wat hem in een later visioen wordt gezegd: “Maar jij, ga het einde tegemoet. Je zult te ruste gaan en aan het einde van de dagen opstaan om je bestemming te bereiken” (Dan.12:13). Dus niet bij zijn dood, maar pas aan “het einde van de dagen” zal Daniël de hemel mogen binnengaan.
Paulus schrijft dat wij niet hoeven te treuren over de gelovigen die gestorven zijn. Waarom niet? Omdat hun ‘zielen’ al in de hemel zijn? Nee, zeker niet. Maar als de Heer terugkomt, dán “zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen worden weggevoerd op de wolken en gaan we de Heer in de lucht tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn” (1Thess.4:13-18).
We zien hier hetzelfde beginsel als ín Hebreeën: de gelovigen van alle tijden moeten wachten op de opstanding. Die zal plaatsvinden bij komst van de Heer. Pas dan zullen alle gelovigen bij hem zijn. Geen sprake dus van ‘zielen’ die hen reeds voor zouden zijn gegaan.
Lazarus. In Joh.11:11-14 staat een kort gesprek vermeld tussen Jezus en zijn leerlingen. Lazarus is net overleden en Jezus zegt dan: “Onze vriend Lazarus is ingeslapen, ik ga hem wakker maken.’ De
leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’ Zij dachten dat hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was. Toen zei hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven…” Jezus spreekt hier dus over de dood als een slaap. Welke woorden van troost richtte hij daarna tot Marta, de zuster van Lazarus? Zei hij: “Wees maar niet verdrietig, want zijn ‘ziel’ is nu toch bij God?” Nee, Jezus wist uiteraard wel beter. In plaats daarvan verwijst hij naar de opstanding. Daarop was blijkbaar ook Marta’s hoop gevestigd: “Ja,” zei Marta, “ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan” (Joh.11:24). Zij weet dan nog niet dat Jezus haar broer nu al uit de doodslaap tot leven gaat wekken. Zegt Jezus dan als hij bij het graf is gekomen: “Lazarus, kom uit de hemel naar beneden”? Nee, want daar is Lazarus niet. Hij is in het graf. Daarom beveelt Jezus hem: “Lazarus, kom naar buiten!” (Joh.11:43). Ook uit dit voorbeeld blijkt opnieuw dat we géén ‘ziel’ hebben die bij de dood naar de hemel gaat.
Zielen aan de voet van het altaar. Toen het vijfde zegel in een visioen uit Openbaring werd verbroken, zag Johannes “aan de voet van het altaar de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis.” Ze riepen luid tot God om wraak om wat hen was aangedaan: “O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult u de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?” (Openb.6:9-10). Zijn dit ‘zielen’ in de hemel die om wraak roepen? Nee, want ze bevinden zich aan de voet van het altaar waarop ze geslacht zijn. Dat altaar staat niet in de hemel. We hebben hier te maken met dezelfde beeldspraak als bij Abel. Zoals zijn “bloed” uit de aarde tot God riep omdat hij vermoord was, zo roepen ook deze “zielen” om wraak omdat hun bloed vergoten is. Een “ziel” is in de Bijbel de totale mens, lichaam en geest. Net als alle andere mensen die gestorven zijn, moeten ook deze “zielen” wachten op de opstanding voordat ze de hemel kunnen binnengaan.
Zielen van onthoofden. Het visioen uit Openbaring 20 heeft betrekking op het einde der tijden. Hier ziet Johannes “de zielen van hen die onthoofd waren omdat ze van Jezus hadden getuigd en over God hadden gesproken”. Dit zijn dezelfde “zielen” als die in Openbaring 6: mensen die gedood zijn vanwege hun trouw aan God. Maar nu met dit verschil: hier zijn ze wél in de hemel. Hoe dat kan, lezen we ook in dit gedeelte: “Zij waren tot leven gekomen” bij “de eerste opstanding” (Openb.20:4-5).
Uit al deze voorbeelden blijkt dat de Bijbel een consistent beeld schetst van wat er gebeurt als we sterven. Nergens is er sprake van een ‘ziel’ die naar de hemel zou gaan. Overal geldt de regel: “Stof ben je en tot stof keer je terug.”

GOED NIEUWS
In feite zouden we dus bij ons sterven definitief moeten verdwijnen in ‘het stof’ van de aarde, voorgoed
moeten terugkeren tot de materie waaruit we zijn gemaakt, ware het niet dat God liefde ís en hij ons niet zomaar aan de vergetelheid prijsgeeft. De evangelist Johannes verzekert ons: “Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft” (Joh.3:16). Dát is het goede nieuws: door geloof in Jezus Christus is er tóch nog eeuwig leven mogelijk. Daarover is de Bijbel stellig, maar ook over het feit dat we dit eeuwige leven pas bij de opstanding zullen ontvangen.

OPSTANDING EN IDENTITEIT
We weten uiteraard niet precies hoe het er bij de opstanding zal toegaan. Maar laten we even teruggaan naar de vergelijking met de computer. Alles wat op de harde schijf van de computer was opgeslagen, kan weer worden opgeroepen zodra deze opnieuw wordt opgestart. In computertermen uitgedrukt, kunnen we zegge
Wanneer Christus ons bij de opstanding tot leven roept, zal iedereen er weer zijn, persoonlijk en herkenbaar, net zoals het opgeslagen document weer opnieuw op het computerscherm verschijnt.

Uitzonderingen op de regel
Volledigheidshalve moet hier worden vermeld dat er drie mensen zijn van wie we weten dat zij wél in de hemel zijn. Maar deze drie zijn daar ‘volledig’, en niet slechts hun ‘zielen’. De Bijbel verklaart zelf hoe dat kan. Henoch en Elia zijn niet gestorven, maar met lichaam en al opgenomen (Gen.5:24; 2 Kon 2:11).
Mozes is wel gestorven, maar op een later tijdstip opgewekt uit de dood (Judas 1:9). Deze drie zijn de
spreekwoordelijke ‘uitzonderingen die de regel bevestigen’.

SAMENVATTING
“Als het je tijd is, wat dan…?” Dan is er volgens de Bijbel geen ‘ziel ’die je lichaam verlaat en naar de
hemel gaat. Je sterft als totale mens, maar je identiteit is wel veilig gesteld bij God. Op zijn tijd zal de
opstanding van alle doden plaatvinden.
Iedereen die het evangelie heeft aanvaard, ontvangt dan het
eeuwige leven dat door God is beloofd. Wie hoopt zijn geliefden ooit weer te ontmoeten, mag uitzien naar de opstandingsdag.

Laurens Joosse

Deel dit bericht op facebook of twitterShare on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Geplaatst in Algemeen.